GEDICHTEN

Sonnet XXII - Voordracht

De Nacht valt - al wat leeft wordt nu als dood
En al wat dood is neemt een vreemd soort leven
Aan; hoor! een harteklop die voor heel even
Doorheen het duister suist en stokt, een groot

Zwaar ademhalen dat weer zwijgt: de nood
Van vleselijk verlangen die gegeven
Wordt aan het stof; en alle dingen beven
Wanneer zij vallen in Haar blauwe schoot

De Nacht valt en verheft zich tegelijk;
Met ijle armen reikt Zij door de straten
En maakt van levenloze stof een rijk

Bestaan; alles beweegt en lijkt te praten
De dingen worden andermaal een lijk
Wen zij hen voor zonsopgang zal verlaten

Simon Mulder

Verder >